Concert van Willem Mook (luit) en Peter Adema (poëzie)
Warmte en energie brengt de liefde in het leven. Zij geeft het een nieuwe wending en dimensie, schept nieuwe verbanden en een intense beleving van het bestaan. En juist door die totale werking kan zij een mens helpen het zicht op het leven en zichzelf te verhelderen. Deze twee kanten van Amor zijn de hoofdlijn in dit programma met luitmuziek en poëzie van eind 13e tot in de 17e eeuw. In de lyrische poëzie speelt het persoonlijke leven van de dichter, en dus vanzelf ook de liefde, een hoofdrol. Maar echte, en zeker grote poëzie tilt die privé-ervaringen naar een abstracter, universeler niveau. Zijn gevoelens stuwen de dichter tot beelden, woorden, vorm en gedachten : een nieuwe, poëtische werkelijkheid.
Vóór de pauze klinken gedichten van Dante, Petrarca, Vittoria Colonna en Michelangelo; Peter Adema brengt ze uit het hoofd en steeds vergezeld van zijn vertaling.
De poëzie wordt ingebed en omgeven door muziek van de eerste grote luitvirtuozen van de 16e eeuw: Marco dall’Aquila, Francesco da Milano en Alberto da Ripa. Francesco diende lange tijd aan het pauselijke hof te Rome en later aan het Franse hof. Hun muziek is nu eens lyrisch en vloeiend, dan weer bezonken en streng van opbouw – composities helder als kristallen.De intieme klank van de direct met de vingers bespeelde luit sluit naadloos aan op de lyriek van de gedichten: poëzie en muziek in dialoog. Zij zetten elkaar in reliëf maar gaan ook een tweegesprek aan.
In Dante’s poëzie is Beatrice zijn grote liefde. In zijn Vita Nuova (1292-93) geeft hij weer hoe hij de geliefde vrouw ontmoet, welke gevoelens en gedachten dat teweegbrengt en tenslotte zijn radeloze wanhoop als zij sterft. Als dè representant van de Florentijnse ‘Dolce stil novo’- groep ziet hij haar ook als een door God gezonden wonder ter redding van zijn ziel. Daarmee bouwt Dante voort op de Provençaalse en Siciliaanse hoofse minnedichters, die de vrouw als een verheven en verheffend wezen beschouwden en vereerden. Dante heeft zijn Beatrice zelfs religieus gesublimeerd : zij zal zijn gids zijn door het Paradijs van de Divina Comedia.
Na een paar sonnetten uit de Vita Nuova volgen enige van Petrarca. Hij is nog geen 23 als hij in 1327 te Avignon de liefdesschok van zijn leven krijgt : hij ontmoet dan in de kerk van Sint Clara op goede Vrijdag zijn Laura. Zij wordt het lyrisch centrum van zijn Canzoniere, verdeeld in gedichten voor en na haar dood in 1347. Ook hier weer geen concrete vervulling van de liefde, maar des te sterker is haar poëtische kracht. Nieuw is Petrarca’s streven om door deze liefde te beschrijven en te ontleden vooral ook licht te brengen in zijn eigen psyche. Zo diept hij zijn steeds wisselende stemmingen en innerlijke belevingen uit. Petrarca, sensueel en gevoelig, laat in zijn poëzie zijn hart spreken maar weet ook –met name in zijn sonnetten- daarvoor de precies rake woorden, klanken, beelden en vorm te vinden. Nog enige eeuwen en in allerlei Europese landen zou zijn invloed blijven duren. Dat geldt zeker ook zijn diep besef van het wisselvallige en vergankelijke in het aardse leven. Laura’s dood bracht Petrarca zeker tot een sterke religieuze verdieping.
Deze laatste elementen treffen ons ook in de sonnetten van Vittoria Colonna (1490-1547), een telg uit een machtige Romeinse familie : een kardinaal Giovanni Colonna was al jarenlang Petrarca’s beschermheer aan het pauselijk hof te Avignon. Nadat haar man in 1525 gesneuveld was keerde Vittoria zich af van het mondaine leven. In haar sonnetten over liefde en geloof klinkt –naast Petrarca’s invloed- een heel eigen toon door. Ook bij haar wekt schoonheid menselijke liefde op, die dan echter terug wil naar het volmaakt schone licht van God. Aan deze diepe religiositeit voelde Michelangelo op latere leeftijd ook behoefte. Hij ontmoette Vittoria Colonna toen zij 48 en hij 63 was. Negen jaar, tot haar dood, hadden zij een diepe vriendschap met intense bewondering voor elkaar en eenzelfde religieuze gerichtheid. Twee madrigalen, aan haar opgedragen, getuigen van Michelangelo’s respect voor de morele en religieuze kracht van deze vrouw en van zijn diepe, bijna wanhopige geloof. Tot slot een sonnet over Dante, dat beider miskenning door ‘hun’ Florence hekelt.Deze kritiek op hun geboortestad gaat over in een, zowel poëtisch als menselijk, subliem eerbetoon aan de schepper van de Divina Commedia. Voor de pauze zijn twee Petrarca-sonnetten te horen in een vertaling van Pieter Hooft en Constantijn Huygens. Aan hen is het programma na de pauze gewijd, met luitmuziek door Willem Mook van Nicolas Vallet, Jacques Gautier, Jean Perrichon en uit het beroemde Thysius-luitboek.Pieter Hooft is 17 als hij in 1599 rond gaat reizen langs onder meer Parijs, Avignon, Rome en Florence. Hij is verrukt van Florence en verdiept zich daar ruim een half jaar in met name Dante en Petrarca. Hier gaat ook hij de liefde tussen mensen zien als het enige pad terug naar de bron van de Schepping : ’s werelts Licht, met de zon als zijn symbool bij uitstek. Deze visie verwoordde hij het zuiverst in zijn sonnet over Christus’genezing van de blindgeborene, dat uitloopt op een heel persoonlijke liefdesbetuiging. Petrarca heeft vooral in Hoofts sonnetten zijn sporen achtergelaten. Een heel andere, speelse Hooft laat zich kennen in het dageraadslied ‘Galathea’.
Ook Constantijn Huygens heeft zich in Petrarca verdiept. Hij was vooral getroffen door diens religieuze kant en zijn grote verdriet om Laura. Huygens’grote liefde was Suzanne van Baerle, die hij in zijn poëzie Sterre noemde, - wellicht naar Petrarca die zijn Laura ook graag Stella noemde. Heel persoonlijk is hij in zijn gedichten over zijn komende huwelijk met Sterre en over haar dood 10 jaar later, in 1637. De toon van het laatste gedicht is inhoudelijk zeer aan Petrarca verwant.
Huygens schreef naast zijn baan –hij was persoonlijk secretaris en vaak ambassadeur van de Oranje’s- zeer veel poëzie. Hij was ook een voortreffelijk luitist, maar van deze composities is helaas niets teruggevonden. Huygens stond heel concreet in het leven en had vaak weinig tijd, vandaar zijn voorliefde voor het sneldicht. Enige van deze epigrammen vormen een puntig besluit van dit programma : ook de ‘pointe’ was een vondst en erfenis van het Petrarcisme.
Peter Adema
Willem Mook studeerde hoofdvak luit bij Anthony Bailes aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam en Toyohiko Satoh aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij nam deel aan diverse internationale masterclasses van onder meer Paul O’Dette en Hopkinson Smith. In 1994 voltooide hij zijn studie muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
Willem Mook specialiseert zich op het gebied van de Renaissance polyfonie en de basso continuo praktijk en heeft een lange staat van dienst als solist en begeleider op luit, theorbe en vihuela de mano. Onder zijn leiding legde het Ensemble Resolut zich toe op het interpreteren van Franse muziek uit de 15de eeuw. Hij is lid van het Arcadia Ensemble en vormt enkele jaren een succesvolle combinatie met sopraan Paulien van der Werff. Naast zijn werk als uitvoerend musicus heeft Willem Mook een omvangrijke lespraktijk als luitleraar in Haarlem en Zutphen.Peter Adema studeerde klassieken in zijn geboortestad Amsterdam. Daarnaast deed hij de opleidingen solozang en opera aan het Amsterdamsch Conservatorium, met Meinard Kraak en Jan Keizer als vocale docenten.. Zijn voorkeur ging uit naar de liedkunst vanwege het innig verband tussen muziek en tekst. Johanna Diepenbrock en Harry van Oss coachten hem bij de voordracht van poëzie.Vervolgens verdiepte Peter Adema zich verder in de Franse lied- en dichtkunst bij Noémie Pérugia te Parijs.
| AMOR | ||
| Italië 14e - 16e eeuw | ||
| Dante Alighieri (1265-1321) | ||
| Ricercar | Marco dall' Aquila (c.1510) | |
| Ik voelde in mijn hart
Io mi senti svegliar In haar ogen Ne li occhi | ||
| Fantasia 40 | Francesco da Milano (1498-1543) | |
| Francesco Petrarca (1304-1374) | ||
| Ricercar | Marco dall' Aquila (c.1510) | |
| Gezegend de dag
Benedetto sia 'l giorno Una candida cerva Een blanke hinde | ||
| Fantasia 30 | Francesco da Milano | |
| Vittoria Colonna (1490-1547) | ||
| O passi sparsi I | Alberto da Ripa (c.1500-1555) | |
| Quando vedrò Als ik dit sterfelijk licht | ||
| O passi sparsi II | Alberto da Ripa | |
| Michelangelo Buonarroti (1475-1564) | ||
| Een man spreekt in een vrouw Un uomo in una donna | ||
| Fantasia 28 | Francesco da Milano | |
| Door wat voor een bijtende vijl Per qual mordace lima | ||
| O bone Jesu | Francesco da Milano | |
| Uit de hemel gedaald Dal ciel discese | ||
| Fantasia 34 | Francesco da Milano | |
| De Nederlanden 17e eeuw | ||
| Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) | ||
| Onder de lindegroene | Nicolas Vallet (c.1583-na 1633) | |
| Wanneer door 's werelts Licht
Het hoge wonder nieu (L'alto et nuovo miracol: Petrarca) | ||
| Chançon angloise | Nicolas Vallet | |
| (Barafostus' Dream) | ||
| Geswinde grijsart | ||
| Pavanne de Spagne | Nicolas Vallet | |
| Constantijn Huygens (1596-1687) | ||
| Allmayne | Robert Johnson (c.1583-1633) | |
| Op mijn'afbeeldingh | ||
| Allmayne 'Hit and take it' | Robert Johnson | |
| I'vo piangendo: Petrarca
Ick gae vast en beklaegh Op de doot van Sterre | ||
| Pavan | Robert Johnson | |
| Courante | Jacques Gautier (c.1595-c.1658) | |
| Kleet en man
Klaes vond Kees Barbiers les | ||
| Courante | Jean Perrichon (1566-1600) | |
| Gij vraeght
Op de doot van dr. Van der Straten | ||
| Courante | Jacques Gautier | |
| Mijn Geckies Grafschrift | ||
De teksten Vertaling Peter Adema
| DANTE | |
|
Io mi senti’ svegliar dentro a lo core
un spirito amoroso che dormia : e poi vidi venir da lungi Amore allegro sì, che appena il conoscia, dicendo : ‘Or pensa pur di farmi onore,’ e ’n ciascuna parola sua ridia. E poco stando meco il mio segnore, guardando in quella parte onde venia, io vidi monna Vanna e monna Bice venire inver lo loco là ’v’io era, l’una appresso de l’altra maraviglia; e sì come la mente mi ridice, Amor mi disse: ‘Quell’è Primavera, e quell’ha nome Amor, sì mi somiglia.’ |
Ik voelde in mijn hart een liefdesgeest
ontwaken die daar te slapen lag, en zag toen Amor uit de verte komen, zo snel dat ik hem bijna niet herkende. Hij zei: ‘En nu moet jij mij eer aandoen,’ en lachte bij ieder van zijn woorden. En toen mijn heer daar even bij mij stond, keek ik van welke kant hij was gekomen en zag vrouw Vanna en vrouw Beatrice naar de plaats komen waar ik toen was: het ene na het andere wonder; en weer komt mij voor de geest hoe Amor sprak: ‘Dat is de Lente, en deze vrouw heet Amor, zo lijkt zij op mij.’ |
|
Ne li occhi porta la mia donna Amore,
per che si fa gentil ciò ch’ella mira; ov’ella passa, ogn’om ver lei si gira, e cui saluta fa tremar lo core, sì che, bassando il viso, tutto smore, e d’ogni suo difetto allor sospira: fugge dinanzi a lei superbia ed ira. Aiutatemi, donne, farle onore. Ogne dolcezza, ogne pensero umile nasce nel core a chi parlar la sente, ond’è laudato chi prima la vide. Quel ch’ella par quando un poco sorride, non si può dicer né tener a mente, sì è novo miracolo e gentile. |
In haar ogen draagt mijn vrouwe liefde
en wie zij aanziet wordt vanzelf mild; waar zij passeert draait elke man zich om en wie zij groet doet ze het hart zo beven dat hij de ogen neerslaat en doodsbleek moet zuchten om zijn diep tekort: verhitte trots vlucht voor haar weg! O vrouwen, helpt mij om haar tot eer te zijn. Een en al teder en bescheiden denken ontspringt het hart van wie haar spreken hoort; wie haar ontmoet heeft, stijgt in achting. Maar hoe haar lichte glimlach raakt, is niet te vangen in woord of in gedachte: een wonder, ongehoord zo gracieus. |
| PETRARCA | |
|
Benedetto sia ’l giorno, e ’l mese, e l’anno,
e la stagione, e ’l tempo, e l’ora, e ’l punto, e ’l bel paese, e ’l loco ov’io fui giunto da’ duo begli occhi, che legato m’hanno; e benedetto il primo dolce affanno ch’i’ ebbi ad esser con Amor congiunto, e l’arco, e le saette ond’i’fui punto, e le piaghe che ’n fin al cor mi vanno. Benedette le voci tante ch’io chiamando il nome de mia donna ho sparte, e i sospiri, e le lagrime, e ’l desio; e benedette sian tutte le carte ov’io fama l’acquisto, e ’l pensier mio, ch’è sol di lei, sì ch’altra non v’ha parte. |
Gezegend de dag, de maand en het jaar,
het seizoen, de tijd, het uur en het moment, de schone streek en de plaats waar twee mooie ogen mij in de boeien sloegen; en gezegend mijn eerste zacht verdriet, gewekt door deze band met Amor, en de boog, de pijlen die mij troffen, de slagen die mij raken tot in het hart. Gezegend al die woorden, uitgewaaierd als ik mijn vrouwe noemde bij haar naam, de zuchten ook, de tranen, het verlangen; en gezegend al wat ik mag dichten tot haar roem, en mijn denken, zo geheel vervuld van haar alleen. |
|
Una candida cerva sopra l’erba
verde m’apparve, con duo corna d’oro, fra due riviere, all’ombra d’un alloro, levando ’l sole, a la stagione acerba. Era sua vista sì dolce superba, chi’i’ lasciai per seguirla ogni lavoro, come l’avaro, che ’n cercar tesoro con diletto l’affanno disacerba. ‘Nessun mi tocchi,’ al bel collo d’intorno scritto avea di diamanti e di topazî, ‘libera farmi al mio Cesare parve.’ Et era ’l sol già volto al mezzo giorno; gli occhi miei stanchi di mirar non sazî, quand’io caddi ne l’acqua, et ella sparve. |
Een sneeuwwitte hinde liet op het groene gras
zich aan mij zien, met twee hoorns van goud, tussen twee rivieren, beschut door een laurier, bij het opgaan van de zon in het prille jaargetij. Haar aanblik was zo heerlijk soeverein dat ik om haar te volgen alles liggen liet, zoals de vrek, die zoekend naar een schat door jachtplezier de pijn van het gemis verzacht. ‘Raak mij niet aan,’ stond om haar mooie hals in diamanten en topaas geschreven, ‘mijn vrijheid kreeg ik van mijn Heer in leen.’ De zon was al op middaghoogte aanbeland, mijn afgematte ogen aldoor in haar ban, toen viel ik in het water en zij verdween |
| VITTORIA COLONNA | |
|
Quando vedrò di questa mortal luce
l’occaso, e di quell’altra eterna l’orto, sarà pur giunta al desiato porto l’alma cui speme ora fra via conduce: e scorgerò quel raggio che traluce sin dal ciel nel mio cor, del cui conforto vivo, con occhio più di questo accorto, com’arde, come pasce e come luce. Soave fia il morir per viver sempre, e chiuder gli occhi per aprirgli ognora in quel sì chiaro e lucido soggiorno! Dolce il cangiar di queste varie tempre Col fermo stato! Oh quando fia l’aurora Di così chiaro avventuroso giorno! | Als ik dit sterfelijke licht zie ondergaan
en dat andere voor eeuwig verschijnt, is mijn ziel toch in de haven beland, met verlangen en hoop als gids op haar weg. Dan ontwaar ik de straal die recht uit de hemel licht in mijn hart brengt, mijn leven vertroost, en zie, met een herboren oog, hoe hij gloeit, hoe hij voedt en lichtend omhult. Zacht zal ik sterven om eeuwig te leven, mijn ogen sluiten om dan met open blik voor altijd in zo helder licht te blijven. Hoe graag verruil ik dit grillige leven voor dat vaste bestaan ! Wanneer gloort de dag dat ik mij waag naar dat stralende licht? |
| MICHELANGELO | |
|
Un uomo in una donna, anzi uno dio
per la sua bocca parla, ond’io per ascoltarla son fatto tal, che ma’più sarò mio. I’credo ben, po’chi’o a me da?llei fu’tolto, fuor di me stesso aver di me pietate; sì sopra ’l van desio mi sprona il suo bel volto, ch’i veggio morte in ogni altra beltate. O donna che passate per acqua e foco l’alme a’ lieti giorni, deh, fate c’a me stesso più non torni. | Een man spreekt in een vrouw, ja zelfs een god
klinkt door haar mond, en zo heeft mij haar woord geraakt dat ik mij nooit meer meester ben. Sinds zij mij aan mezelf onthief, lijk ik mij wel van buitenaf met medelijden aan te zien. Zo prest mij haar mooi gelaat leeg verlangen voorbij, dat ik de dood in alle andere schoonheid zie. O vrouw die door water en vuur onze ziel naar blije dagen voert, laat mij niet meer tot mijzelf geraken. |
|
Per qual mordace lima
discresce e manca ognor tuo stanca spoglia, anima inferma? or quando fie ti scioglia da quella il tempo, e torni ov’eri, in cielo, candida e lieta prima, deposto il periglioso e mortal velo? C’ancor ch’i’ cangi ’l pelo per gli ultim’anni e corti, cangiar non posso il vecchio mie antico uso, che con più giorni più mi sforza e preme. Amore, a te nol celo, ch’i’ porto invidia a’ morti, sbigottito e confuso, sì di sé meco l’alma trema e teme. Signor, nell’ore streme, stendi ver’ me le tuo pietose braccia, tom’a me stesso e famm’un che ti piaccia. | Door wat voor een bijtende vijl
slinkt en krimpt je moede lijf, afgematte ziel? Wanneer toch maakt de tijd je daarvan los en keer je naar de hemel terug, sneeuwblank en blij als eerst, los uit dit riskante, sterfelijke kleed? Mijn haardos ruil ik in voor grijs die laatste korte jaren, maar hem vorm ik niet om, mijn oude Adam, die metterdag mij verder in het nauw brengt. Geliefde, u verhul ik niet dat ik jaloers ben op de doden, verbijsterd en verward, zo beeft en vreest mijn ziel nu voor zichzelf. O Heer, strek in mijn laatste uren uw liefdevolle armen naar mij toe, onthef mij aan mezelf en laat mij u behagen. |
|
Dal ciel discese, e col mortal suo, poi
che visto ebbe l’inferno giusto e ’l pio, ritornò vivo a contemplare Dio, per dar di tutto il vero lume a noi, lucente stella, che co’raggi suoi fe’ chiaro a torto el nido ove nacqu’io, né sare’ l’ premio tutto ’l mondo rio; tu sol, che la creasti, esser quel puoi. Di Dante dico, che mal conosciute fur l’opre suo da quel popolo ingrato che solo a’ iusti manca di salute. Fuss’io pur lui! c’a tal fortuna nato, per l’aspro esilio suo, co’la virtute, dare’ del mondo il più felice stato. | Uit de hemel gedaald, zag hij in levende lijve
de strenge hel en het milder vagevuur, keerde levend terug om God zelf te schouwen en ons het ware licht op het bestaan te schenken. Hij, de lichtende ster, bracht met zijn stralen onverdiende roem aan mijn geboortenest; niet deze snode wereld is zijn verdiende prijs: alleen U die hem schiep, kunt dat voor hem zijn. Op Dante doel ik, wiens werk miskend werd door dat ondankbare volk dat juist de besten zijn gunst weigert. Was ik maar hèm! Voor zo een levenslot –bitter verbannen, maar met die geestkracht– gaf ik alle geluk van deze wereld op. |
HOOFT
Wanneer, door’s werelts Licht, de blindtgebooren jongen
Gesicht vercreech, hij stondt verwondert en bedeest,
Beweging, verwe, stal van plant, van mensch, van beest
Verbluften sijn gedacht, van allen oort besprongen,
Voort Sloten, toorens schier ten hemel hooch gesprongen
Het tijt-verdrijf van’s menschen onderwind-al-geest,
Maer den sienlijcken God de schoone Sonne meest;
Sijn tonge sweech, t gemoet dat riep om duisent tongen.
Even alleens, Mijn Licht, wanneer ghij mij verschijnt
En dat mijn Siel, ontdeckt v siels cieraden vijndt
Die’t ooge mijns gemoets, dat t haerwaerts streckt, gemoeten,
Soo swelt mijn hart van vreucht en van verwondring diep
En dancke tegens v, en tegens di v schiep,
Tot dat het berst en valt gebroocken voor v voeten.
Wt Petrarca nae de doot van Madonna
L’alto e nuovo miracol ch’a di nostri.
Het hoge wonder nieu dat binnen swerelts palen
Jn onse tijt verscheen, daert blijvens lust ontbrack,
’Twelck hemel schersend’ toond’ en voort weer nae sich track,
En steldet tot cieraet in sijn besonde salen,
Dat ick voor die t niet sach sal schildren en verhalen,
Wil MIN, die mij de tong ontbont als t hert ontstack,
Verstant, tijt, inckt, papier, en penne viel te swack:
Al stelds’ een godt int werck om haer vol wt te malen.
Ter hoochster trap sijn noch de rijmen niet gecomen,
Jck merck het aen mijn selfs, twert lichtlijck waergenomen
Van die door Minne schrijft sijn blijschap oft geclach,
Die t waer bedencken can, stilswijgent overlegge
Wat alle schrift verwint, en daer nae sucht´en segge,
Wel salich was het óóch dat haer int leven sach.
Geswinde grijsart die op wackre wiecken staech,
De dunne lucht doorsnijt, en sonder seil te strijcken,
Altijdt vaert voor de windt, en ijder nae laet kijcken,
Doodtvijandt van de rust, die woelt bij nacht bij daech;
Onachterhaelbre Tijdt, wiens heten honger graech
Verslockt, verslint, verteert al watter sterck mach lijcken
En keert, en wendt, en stort Staeten en Coninckrijken;
Voor ijder een te snel, hoe valtdij mij soo traech?
Mijn lief sint ick u mis, verdrijve’ jck met mishaeghen
De schoorvoetighe Tijdt, en tob de lange daeghen
Met arbeidt avontwaerts; uw afzijn valt te bang.
En mijn verlangen can den Tijdtgod niet beweghen.
Maer ’t schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,
Dat jck den Tijdt, die jck vercorten wil, verlang.
HUYGENS
Op mijn’afbeeldingh, korts voor mijnen Trou-dagh gemaeckt,
Spreeckt, Schildery, en seght hoe grooten kracht van vreughden
Mijn ingewand verheughden,
Ten tijden als ick schier, oft heel, verwinner werd
Van mijner Sterren hert,
En docht van overvreughd, ick trad op all’ de Sterren
Die om den Hemel werren,
En hiet u tuygen van mijn vrolicke gemoed
Aen d’eew die komen moet,
Door dit gewackert oogh en voorhoofd sonder vooren
Die sulcken hert behooren:
Seght, dat voor d’eewen, noch van datter eewen zijn
Geen luck en was als ’t mijn;
Seght, datter boven Son noch onder Maen naer desen
Geen mijns gelijck sal wesen.
Swijght, Schildery, en spreeckt veel liever niet van my,
’t En komt noch al niet by.
| Ick gae vast en beklaegh mijn’ afgeleefde dagen,
Die ’ck leelick heb verguist aan menschelicke minn, Niet eens ter vlucht getilt, daer iek nu wel bevinn Dat mij mijn’ wieken vrij veel hooger konden dragen. Onsienbaer, eewich God, ghij die daer hebt verdragen Mijn’ boosheden gepleeght soo tegens uwen sinn, Helpt mijn verdoolde ziel, staet voor haer’ schulden in, En heelt met uw genad’ haer sondige misdragen. Op dat ick, die in storm en onweer hebb gesweeft, In Vré mogh' havenen, en hebb ick niet beleeft Als ydelheit, altoos met eeren mogh’ vertrecken. Dat m’ in de korte wijl die mijnen tijd kan strecken, En in mijn’ stervens uer uw’ heil’ge hand behouw’: Ghij weet dat ick op u, en u alleen, betrouw. | I’ vo piangendo i miei passati tempi
i quai posi in amar cosa mortale, senza levarmi a volo, abbiend'io l’ale, per dar forse di me non bassi exempi. Tu che vedi i miei mali indegni et empi, Re del cielo invisibile immortale, soccorri a l’alma disvïata et frale, e’1 suo defecto di Tua gratia adempi: sí che, s`io vissi in guerra et in tempesta, mora in pace et in porto; et se la stanza fu vana, almen sia la partita honesta. A quel poco di viver che m`avanza et al morir, degni esser Tua man presta: Tu sai ben che 'n altrui non ò speranza. |
Op de doot van Sterre
Of droom ick, en is 't nacht, of is mijn' Sterr verdweenen?
lck waeck, en 't is hoogh dagh, en sie mijn' Sterre niet.
0 Hemelen, die my haer aengesicht verbiedt,
Spreeckt menschen-tael, en seght, waer is mijn' Sterre henen:
Den Hemel slaet geluyt, ick hoor hem door mijn' stenen,
En seght, mijn' Sterre staet in't heilige gebied
Daer sy de Godheit, daer de Godheit haer besiet,
En, voeght het lacchen daer, belacht mijn ydel weenen.
Nu, Dood, nu snick, met een verschenen en verby,
Nu doorgangh van een' steen, van een gesteên ten leven,
Dun schutsel, staet naer by; 'k sal 't u te danck vergeven;
Komt, Dood, en maeckt my korts van dese Cortsen vry:
'k Verlangh in 't eewigh licht te samen te sien sweven
Mjn Heil, mijn Lief, mijn lijf, mijn' God, mijn' Sterr, en my.
Kleet en Man.
De Snijders Winckel en het Hof
Staen strijdigh om den hooghsten lof.
Wie dunckt u dat van tween de beste konste kan?
Daer maeckt de Mann het Kleed, hier maeckt het kleet den Mann.
Klaes vond Kees op het pad van beider oude sonden,
En sei, ick weet niet, Kees, of dit de wegh all is,
Die na den Hemel leidt. Neen, sei Kees; want gewiss
Dan waer het vreemd geweest, hadd icker u gevonden.
Barbiers Les.
Een snappende Barbier, diem’ onder handen krijgende
Stond veel getiers en maeckt’ in Duytsch en quaed Latijn,
Vraeghde en hervraeghde my, hoe ’ck wouw geschoren zijn:
Ick sei, mijn goede Vriend, is ’t mogelick, al swijgende.
Ghij vraeght, hoe ick soo veel gedicht heb en geschreven,
door all’ de besighheid daer men my lang in sagh?
Will de mensch niet altoos all wat hij niet en magh?
Had ik meer tyds gehadt, ick had veel min bedreven.
Op de doodt van Doctor van der Straten
Verstraten light hier in een’ dicke diere kist:
wat sagh hij suer en scheel, Verstraeten, als hij ’t wist.
anders
Eens is Verstraten dood: O die hem by sijn leven
twee drij Visitjens loon mooght schuldigh zijn gebleven:
gaet haestigh en betaelt sijn arme kindskind af,
soo gh’hem sijn volle rust wilt gunnen in sijn Graf.
tenslotte
De Doctor Vander Straten
heeft eens de werld verlaten;
staet te bedencken of dit droevighe gevall
meer dooden geven, of meer levens berghen sal.
Mijn Geckies Grafschrift
Dit is mijn Hondjes Graf:
ick segger niet meer af,
als dat ick wensten (en de Werld waer niet bedurven)
dat mijn klein Geckje leefde en all’ de groote sturven.